Toda a informação sobre a aprendizagem da língua neerlandesa (holandês, flamengo) na Península Ibérica (Portugal e Espanha)

11. Het verkeer: o trânsito

11. Het verkeer o trânsito


de achteruitkijkspiegel (-s) o retrovisor
het achterwiel (-en) a roda de trás
de autobus (-sen) o autocarro, a camioneta
de autosleutel (-s) a chave do carro
de bromfiets (-en) a motocicleta
de band (-en) o pnéu
de benzine a gasolina
de bumper (-s) o pára-choque
het defect (-en) a avaria
de diesel o diesel
de fiets (-en) a bicicleta
het fietspad (-en) o passeio de bicicletas
de hoek (-en) a esquina
de koffer (-s) a bagageira, a mala
het kruispunt (-en) o cruzamento
de lantaarnpaal (lataarnpalen) o posto de iluminação
het licht (-en) a luz
het is groen está verde
het is rood está vermelha
het is oranje está amarela
links esquerda
de moto (´s) o moto
de motor (-en) o motor
oversteken atravessar
de parkeerplaats (-en) o parque de estacionamento
parkeren estacionar
rechtdoor em frente
rechts direita
de rem (-men) o travão
de ruitenwisser (-s) o limpador de pára-brise
de snelheid a velocidade
het stoplicht (-en) osemáforo
het stuur (sturen) o volante
de taxi (‘s) o taxi
de trein (-en) o comboio
het trottoir (-s) o passeio
het verkeersbord (-en) a placa
de versnelling (-en) a mudança
de versnellingsbak (-ken) a caixa de mudanças
het vliegtuig (-en) o avião
de voorruit (-en) o pára-brisa
het voorwiel (-en) a roda da frente
de wegwijzer (-s) o poste indicador
het wiel (-en) a roda© Jeroen Dewulf